Mishandeling en misbruik in de Katholieke Kerk blijven, jammer genoeg, een actueel thema. Documentaires zoals “Godvergeten” op VRT één en “De nonnen” op VTM brengen de gruwel aan het licht die de slachtoffers jarenlang hebben moeten meedragen en ondergaan. Slachtoffers zoeken gerechtigheid en dagvaarden niet alleen de daders, maar ook de Heilige Stoel. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft echter geoordeeld dat de Heilige Stoel niet aansprakelijk gesteld kan worden voor de Belgische rechtbanken, want hij geniet staatsimmuniteit. De vraag rijst nu of het misbruik überhaupt toe te rekenen is aan de Heilige Stoel. Dit artikel bespreekt het verschil tussen de Katholieke Kerk en de Heilige Stoel, de staatsaansprakelijkheid voor mensenrechtenschendingen en de aansprakelijkheid van de Heilige Stoel voor het misbruik in de Kerk. Deze bijdrage komt voort uit een thesisonderzoek aan de UHasselt onder begeleiding van prof. dr. K. Lemmens.

Katholieke Kerk en Heilige Stoel – potato, potato?

Eerst en vooral moet men een onderscheid maken tussen de Katholieke Kerk als organisatie en de Heilige Stoel als internationale actor. Deze entiteiten zijn nauw verweven met elkaar, maar worden ook beschouwd als aparte actoren. De Paus staat aan het hoofd van beide instanties. De Katholieke Kerk is een internationale geloofsgemeenschap, met om en bij de 1.4 miljard aanhangers verspreid over de hele wereld. De Heilige Stoel is een bijzondere speler op het internationale toneel. Hij treedt op als het centrale leiderschap van de Katholieke Kerk, maar ook als de soeverein van Vaticaanstad.

De rechtsleer discussieert over hoe de Heilige Stoel optreedt op het internationale toneel. Is het een volwaardige Staat? Is het een NGO? Er bestaat een enigszins gelijkgezindheid over het feit dat de Heilige Stoel geen echte Staat is, zoals bijvoorbeeld België dat is. Hij vervult de voorwaarden in de Montevideoconventie niet omwille van het gebrek aan territorium en permanente bevolking, maar gaat wel relaties aan met andere Staten en heeft een overheid in de vorm van de Paus en de Curia. De Heilige Stoel geniet dus een bijzonder statuut, als een niet-Statelijke, non-territoriale actor.

Staatsaansprakelijkheid

Het tweede luik van deze bijdrage stelt de vraag of de Heilige Stoel verantwoordelijk is voor het misbruik. Niet alleen mensen en bedrijven kunnen aansprakelijk gesteld worden voor hun daden, maar ook Staten. De aansprakelijkheid van Staten voor het niet-naleven van hun verplichtingen wordt internationaal geregeld door de Articles on State Responsibility (ASR). De ASR vereisen twee elementen om de aansprakelijkheid van een Staat voor haar onrechtmatige daad vast te stellen.

Het eerste element is de schending van een internationaalrechtelijke verplichting. De ASR maken geen onderscheid tussen de verschillende soorten internationale normen. Het schenden van een verdragsbepaling of het internationaal gewoonterecht kan een internationale onrechtmatige daad uitmaken. Het tweede element is de toerekenbaarheid van die onrechtmatige daad aan een Staat. Het basisprincipe van de ASR houdt in dat handelingen en omissies door staatsorganen toerekenbaar zijn aan de Staat. Staatsorganen vormen een onderdeel van de rechterlijke, uitvoerende of wetgevende macht. De interne organisatie van een Staat is irrelevant voor de toepassing van de ASR. Naast dit basisprincipe worden ook de handelingen en omissies van parastatale personen of entiteiten, zoals bijvoorbeeld NMBS, toegerekend aan een Staat. Het is belangrijk dat deze private personen en entiteiten een zeker overheidsgezag uitdragen, voordat ze onder deze regel vallen. Het laatste relevante scenario is de toerekenbaarheid van handelingen en nalatigheden op bevel of onder controle van een Staat, zoals bijvoorbeeld de particuliere soldaten in het Amerikaans leger. In dit geval gaat het over gedragingen en nalatigheden van personen en organisaties die eigenlijk niet direct aan de Staat verbonden zijn. Wat de doorslag geeft in een dergelijk geval is afhankelijk van de rol van de Staat. Als een Staat een bevel geeft aan deze personen of entiteiten om iets te doen of juist niet te doen, is deze handeling of omissie toerekenbaar aan de bevelende Staat. Wanneer een Staat voldoende controle uitoefent over de handelingen of nalatigheden van dergelijke personen en entiteiten, kunnen deze gedragingen toegerekend worden aan de controlerende Staat. Volgens de rechtspraak van het IGH in Nicaragua moet er sprake zijn van een bevel of een afdwinging om de handeling of omissie in kwestie te stellen opdat deze toerekenbaar zullen zijn aan de Staat. Naast deze drie scenario’s zijn er nog andere mogelijkheden. Deze andere mogelijkheden zijn de terbeschikkingstelling van staatsorganen aan een andere Staat, de afwezigheid van de overheid, opstanden en het erkennen van een fout.

Is de Heilige Stoel aansprakelijk voor het misbruik?  

Het laatste luik van deze bijdrage beantwoordt de vraag of de Heilige Stoel nu aansprakelijk is voor het misbruik. Eerst wordt het misbruik als mensenrechtenschending besproken, daarna de toerekenbaarheid van hun misbruik aan de Heilige Stoel. Er zijn enkele heikele punten in deze analyse, namelijk de reikwijdte van de mensenrechtelijke verplichtingen, de relatie tussen de geestelijken en de Heilige Stoel en de speciale rol van de Heilige Stoel op het internationale toneel.

De Heilige Stoel kan verdragspartij worden bij mensenrechtenverdragen. Momenteel is hij een verdragspartij bij het Kinderrechtenverdrag, het Folterverdrag en het Verdrag tegen Racisme. Het Kinderrechtenverdrag en het Folterverdrag zijn relevant voor de materie van het (seksueel) (kinder)misbruik. De controleorganen van deze verdragen hebben de Heilige Stoel ook op de vingers getikt voor het misbruik. Artikel 34 van het Kinderrechtenverdrag verbiedt het seksueel misbruik van kinderen. Artikel 1 van het Folterverdrag verbiedt foltering en een mensonterende behandeling. Beide artikelen houden internationaalrechtelijke verplichtingen in, die op het eerste zicht lijken te worden geschonden door de Heilige Stoel in het misbruikschandaal.

De ASR voorzien in uitzonderingen, namelijk toestemming, overmacht en zelfbescherming, waardoor er geen schending van de internationaalrechtelijke verplichtingen zou zijn, maar deze zijn niet van toepassing op het kerkelijk misbruik. Er is dus voldaan aan de eerste voorwaarde van de staatsaansprakelijkheid. Of toch niet? De Heilige Stoel vindt namelijk dat de verplichtingen uit deze mensenrechtenverdragen enkel van toepassing zijn op het grondgebied van Vaticaanstad. Er is dus geen doorwerking tot de Katholieke Kerk. Dit is opvallend, want hij is niet consistent in deze interpretatie. De Heilige Stoel preekt namelijk dat de organisatie zich verplicht voelt om het Verdrag tegen Racisme uit te dragen als “morele entiteit”. De Heilige Stoel geniet via deze weg van een à la carte beleid, waarbij het de voordelen van zijn status als “bijna-Staat” geniet, maar zich verschuilt achter de Katholieke Kerk zodra het de gevolgen van die status moet ondergaan. Hierdoor hebben bepaalde verplichtingen een brede uitwerking, waar andere verplichtingen heel beperkend geïnterpreteerd worden. Er is dus voldaan aan de eerste voorwaarde voor staatsaansprakelijkheid, wanneer men het standpunt van het Kinderrechtencomité en het Comité tegen Foltering aanhoudt. Als men daarentegen de redenering van de Heilige Stoel volgt, is er niet aan voldaan.

Het tweede element is de relatie tussen de geestelijken en de Heilige Stoel. De Heilige Stoel benadrukt zelf dat de relatie tussen een bisschop en een priester niet vergeleken kan worden met een burgerrechtelijke arbeidsrelatie. Een bisschop is er niet toe gehouden om een absolute controle uit te oefenen over zijn priesters en hij kan niet juridisch verantwoordelijk zijn voor de fouten van ‘zijn’ priesters. Deze visie werd genuanceerd nadat het seksueel misbruik aan het licht kwam. Sedertdien bestaat er een rapporteringsverplichting voor geestelijken. Het Belgische recht  in het algemeen biedt ook geen soelaas. De Belgische grondwet voorziet namelijk in een organisatievrijheid, waardoor de relatie met de Belgische Staat heel beperkt is. De Belgische Staat laat de Katholieke Kerk vrij in het organiseren van de relatie met haar “personeel”.

Wanneer men de mogelijke scenario’s van toerekening bekijkt, zijn er enkele opties het overwegen waard. De eerste is die van de staatsorganen. In het geval van het seksueel misbruik in de Katholieke Kerk, zeker wanneer de daders priesters waren zonder een hoge functie binnen de Katholieke Kerk, is het volgens mij onwaarschijnlijk dat men zich op dit scenario kan beroepen. Volgens mij zijn de paus, de Romeinse Curia en de aartsbisschoppen in het geval van de Heilige Stoel de staatsorganen. De priester in de lokale parochie valt hier niet onder.

Het tweede potentiële scenario is dat de Belgische clerici die zich schuldig gemaakt hebben aan het seksueel misbruik personen zijn die overheidsgezag uitdragen. Dit scenario, zoals vastgelegd in artikel 5 van de ASR, vereist dat 1) de persoon optreedt in diens officiële hoedanigheid, 2) de persoon geen deel uitmaakt van een staatsorgaan en 3) dat deze persoon op een of andere manier het overheidsgezag uitdraagt. Deze argumentatie is ook niet erg sterk. Het Kinderrechtencomité beschouwt de bisschoppen en hoog gepositioneerde clerici niet als vertegenwoordigers van de Katholieke Kerk. Het Comité tegen Foltering daarentegen onderstreepte dat de personen die een officiële functie hebben en/of optreden in naam van de Heilige Stoel, ook gebonden zijn door de bepalingen uit het Folterverdrag. Er bestaat in de praktijk dus onenigheid over deze kwestie. Wat betreft de hoog gepositioneerde clerici, zoals bisschoppen en kardinalen, volg ik het standpunt van het Comité tegen Foltering. Deze personen hebben een zeker gezag binnen de hiërarchie van de Heilige Stoel. Ik geloof echter niet dat de priester en de nonnen van de lokale parochie voldoende overheidsgezag uitdragen om te voldoen aan de voorwaarden van artikel 5 van de ASR.

Het laatste scenario gaat over de situatie waarin de Heilige Stoel het bevel heeft gegeven of het misbruik gebeurde onder de controle van de Staat. Men kan veel gegronde kritiek uiten op de aanpak van het seksueel misbruik door de Katholieke Kerk, maar volgens mij werd er nooit het bevel gegeven om de gelovigen te misbruiken.

Conclusie

Het is dus onduidelijk of de Heilige Stoel nu wel of niet aansprakelijk gehouden kan worden voor de mensenrechtenschendingen die voortvloeien uit de misbruikproblematiek. Alles hangt af van de interpretatie die men volgt. Op basis van dit onderzoek, geloof ik dat de Heilige Stoel wel verantwoordelijkheid draagt voor de misbruikproblematiek. Het is echter de vertaling naar de praktijk die zeer moeilijk is. Door de staatsimmuniteit, kunnen slachtoffers de Heilige Stoel niet dagvaarden voor de Belgische rechtbanken. Slachtoffers van het kerkelijk misbruik kunnen de argumenten uit dit artikel eventueel gebruiken in buitengerechtelijke procedures om gerechtigheid te bekomen, maar zoals de kaarten nu liggen lijkt het zeer moeilijk dat de Heilige Stoel ooit verantwoordelijk gehouden zal worden.  


Tijd voor Mensenrechten biedt een platform aan mensenrechtenexperten, en gaat de kwaliteit van bijdragen na voor die op het platform verschijnen. Analyses en standpunten blijven niettemin de verantwoordelijkheid van de auteur.


Laura Dumont

Laura is jurist bij de Vlaamse overheid. Ze heeft een bijzondere interesse in de mensenrechten en het bestuursrecht.

0 reacties

Een reactie achterlaten

Avatar plaatshouder

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *