Het gebruik van politiegeweld tegen jongeren is voer voor debat. Een vorm van politiegeweld die al meermaals ophef heeft veroorzaakt, is het gebruik van handboeien bij minderjarigen. In deze blogpost onderzoekt Jantien Leenknecht of minderjarigen in België zomaar in de boeien geslagen kunnen worden en hoe andere landen wettelijk met dit dwangmiddel omgaan.

In België kan een persoon geboeid worden in twee situaties (art. 37bis Wet op het Politieambt). Ten eerste is het gebruik van handboeien toegelaten bij de overbrenging, de uithaling en de bewaking van gedetineerden. Ten tweede kan het dwangmiddel ingezet worden bij de bewaking van personen die gerechtelijk of bestuurlijk werden aangehouden, maar enkel als dit noodzakelijk wordt geacht. De noodzakelijkheid van de handboeien kan verantwoord worden aan de hand van een aantal niet-limitatief opgesomde criteria, zoals vluchtgevaar, de aard van het misdrijf, het gedrag tijdens de huidige of vroegere vrijheidsbeneming(en), of gevaar voor de verdachte zelf of voor derden.

Deze regeling voorziet geen specifiek kader voor het gebruik van handboeien ten aanzien van minderjarigen, hoewel dit overwogen (p. 28) werd bij de invoering ervan in 2007. Er is enkel een onuitgegeven richtlijn MFO-1 van de minister van Justitie uit 2001, betreffende de overbrenging van gevangenen (p. 7-8). Die bepaalt dat minderjarigen in principe niet in de boeien geslagen worden, tenzij er moeilijkheden verwacht worden, zoals ontsnapping of agressiviteit. Gezien het niet-openbaar, niet-bindend en gedateerd karakter van de richtlijn, bestaat de vraag toch of en in welke mate dezelfde regels van toepassing zijn voor minderjarigen als voor volwassenen. Het gevolg van deze onduidelijkheid in praktijk was, en is nog steeds, dat de behandeling van de minderjarige sterk afhangt van de individuele politieagent waarmee de minderjarige te maken krijgt. Dat de minderjarige dan al snel het onderspit delft, blijkt uit klachten bij het Kinderrechtencommissariaat.

Op aanbeveling van het Kinderrechtencommissariaat (p. 11) en Comité P (p. 76) kwam er in 2021 eindelijk een wetsvoorstel dat het gebruik van handboeien ten aanzien van minderjarigen specifiek regelt. Het voorstel is momenteel in bespreking in de Commissie Binnenlandse Zaken. Er is dus (nog) geen zicht op een werkelijke inwerkingtreding, maar wel de hoop daartoe, want het wetsvoorstel bevat een principieel verbod op het boeien van minderjarigen. Het is symbolisch van grote waarde dat de wetgever uitdrukkelijk afstand neemt van de regeling voor volwassenen en duidelijk maakt dat jonge verdachten zich in een kwetsbare positie bevinden.

Er zijn twee uitzonderingen voorzien op het boeiverbod, die op het eerste gezicht dezelfde zijn als voor volwassenen: het boeien bij het vervoer van een minderjarige gedetineerde en bij de bewaking van een gearresteerde minderjarige. Toch zijn er verschillende welgekomen beperkingen aangebracht tegenover de rechtvaardigingsgronden voor volwassenen. Zo is er niet alleen een noodzakelijkheidstoets bij de tweede, maar ook bij de eerste rechtvaardigingsgrond. Bovendien worden de criteria van noodzakelijkheid limitatief omschreven, terwijl bij volwassenen ook andere gronden kunnen ingeroepen worden om het boeien te verantwoorden. Er mag meer bepaald enkel sprake zijn van verzet of geweld tegen de vrijheidsbeneming; van acuut ontvluchtingsgevaar; of van een gevaar van de minderjarige voor zichzelf of voor derden. Er is met andere woorden een individuele risico-inschatting vereist telkens een minderjarige in de boeien geslagen wordt.

Kinderrechtelijk perspectief

Het wetsvoorstel komt tegemoet aan internationale aanbevelingen en vereisten over de behandeling van minderjarige verdachten en delictplegers in het algemeen, en het gebruik van dwangmiddelen in het bijzonder. Minderjarigen zijn reeds een kwetsbare doelgroep, op wie geweld en dwang zowel fysiek als psychologisch een grote impact nalaat (p. 31-32).

Daarom bepaalt artikel 19 van het Kinderrechtenverdrag dat de verdragspartijen, waaronder België, kinderen moeten beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld en mishandeling. Regel 64 van de VN-resolutie over de ‘Protection of Juveniles Deprived of their Liberty’ (Havana Rules) stelt meer specifiek dat dwangmiddelen enkel in uitzonderlijke omstandigheden gebruikt mogen worden ten aanzien van kinderen, en dat ze als ultimum remedium gelden. De omstandigheden moeten bovendien wettelijk omschreven zijn, wat op dit moment in België nog niet het geval is. Een wetsvoorstel dat het gebruik van handboeien bij minderjarigen aan banden legt, valt dus alleen maar toe te juichen.

Boeit het andere landen?

Gezien de internationale consensus en zelfs verplichting dat staten het (politie)geweld ten aanzien van minderjarigen moeten vermijden en wettelijk moeten regelen, is het interessant om de handboeipraktijken in andere landen onder de loep te nemen. Zo bestudeerde ik Nederland, Noord-Ierland en Oostenrijk voor mijn doctoraatsonderzoek over jeugddelinquentiesystemen. Ook zij hebben nog steeds geen wettelijke omschrijving van de omstandigheden die het gebruik van dwangmiddelen bij minderjarigen toelaten, en ook zij kampen alle drie met kritiek of klachten over geboeide minderjarigen (NL, p. 108, NI en OO, p. 62).

In Nederland zijn handboeien toegelaten tijdens het vervoer van gearresteerde personen, zij het enkel bij vluchtgevaar of bij gevaar voor de veiligheid van de persoon zelf of derden (art. 22 Ambtsinstructie). Deze regel geldt ten aanzien van zowel volwassenen als minderjarigen. Toch wordt er volgens politiemedewerkers in opleidingen aangegeven dat gewelds(middelen) tegenover minderjarigen op een terughoudende manier moeten worden toegepast. Wat het vervoer van gedetineerde minderjarigen van en naar jeugdinstellingen betreft, is er wel een specifieke rechtsgrond voor het gebruik van handboeien. Die bepaalt echter enkel dat de jongere geboeid kan worden ten behoeve van het vervoer of interne overplaatsing – zonder bijkomende beperkingen dus (art. 2 regeling geweldinstructie in justitiële jeugdinrichtingen). 

In Noord-Ierland wordt ook geen onderscheid gemaakt tussen volwassenen en minderjarigen bij het gebruik van dwang(middelen) (art. 88 Police and Criminal Evidence (Northern Ireland) Order 1989). De Noord-Ierse politie bepaalt in richtlijn 6.6 van de interne ‘Manual of Policy, Procedure and Guidance on Conflict Management’ wel dat het gebruik van handboeien bij minderjarigen beperkt moet worden tot uitzonderlijke omstandigheden.

In Oostenrijk, tot slot, is de politie toegelaten om proportionele en redelijke dwang(middelen) te gebruiken (art. 93 Strafprozessordnung). De Jugendgerichtsgesetz bevat als lex specialis geen afwijkende bepaling zodat ook hier teruggevallen moet worden op de algemene regel. Er kan enkel geargumenteerd worden dat de proportionaliteits- en redelijkheidsvoorwaarde strikter moeten worden ingevuld in jeugddelinquentiezaken vanwege de grotere impact op minderjarigen. Dit zou ertoe leiden dat het boeien van minderjarigen minder snel toegelaten is dan bij volwassenen.

Deel van een ruimer gebrek aan gespecialiseerde politie(opleiding)

Geen enkele van de vier landen beschikt dus over een bindende regeling met een omschrijving van de specifieke omstandigheden waarin een minderjarige geboeid mag worden. Deze vaststelling kadert in de ruimere kritiek dat minderjarigen te veel gelijk behandeld worden als volwassenen in hun contact met overheidsdiensten. Uit mijn doctoraatsonderzoek, dat onder meer de specialisatie van politiediensten in jeugddelinquentiezaken bestudeert in België, Oostenrijk, Nederland en Noord-Ierland, blijkt immers ook dat geen enkele van de vier onderzochte landen een wettelijke vereiste kent voor specifieke jeugdafdelingen binnen de politiediensten. In Noord-Ierland moeten zaken waarin minderjarigen betrokken zijn wel naar specifiek opgeleide Youth Diversion Officers worden verwezen volgens een intern politiereglement. In België en Nederland is de oprichting van gespecialiseerde jeugdafdelingen afhankelijk van discretionaire bevoegdheid en dus goodwill van de politiediensten zelf. In Oostenrijk zijn er enkel gespecialiseerde ‘jeugdpreventieofficieren’, die bewustzijn creëren bij jongeren over de impact en gevolgen van criminaliteit. De politieagenten die jeugddelinquentiezaken behandelen zijn echter dezelfde als voor volwassenen.

Ondanks het gebrek aan een wettelijk kader zijn er in de vier landen welgekomen initiatieven opgestart om politiediensten te specialiseren in jeugddelinquentiezaken. Toch garanderen die nog steeds niet dat politieagenten een kindvriendelijke aanpak hanteren tijdens een interventie waarbij minderjarigen betrokken zijn. Daarvoor is een meer algemene doorvoering van kindspecifieke modules binnen de politieopleiding noodzakelijk. Dat is ook wat de EU-richtlijn 2016/800 vereist betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure. Rechtshandhavingsinstanties moeten meer bepaald een specifieke, op hun omgang met kinderen afgestemde opleiding volgen inzake kinderrechten, geschikte verhoortechnieken, kinderpsychologie en aangepast taalgebruik (art. 20). Volgens mijn doctoraatsonderzoek voorzien de onderzochte landen echter geen (OO) of beperkte (NI) kindspecifieke modules in de politieopleiding. De beschikbare kindspecifieke modules zijn bovendien vaak vrijwillig op te nemen door de individuele politieagenten (NL). De enige uitzondering is de verplichte module over het audiovisueel verhoor van minderjarigen in België. Geen enkele van de vier landen voldoet dus aan de minimumstandaard die de EU naar voren schuift, ook al moest de richtlijn correct zijn omgezet tegen 11 juni 2019 (art. 24). Enkel Noord-Ierland ontspringt daarbij de dans (rechtsoverweging 69). De andere drie lidstaten riskeren een waarschuwing van de Europese Commissie of zelfs een zaak voor het Hof van Justitie (art. 258 VWEU).

Conclusie

Het boeien van minderjarigen wordt volgens internationale kinderrechtenstandaarden afgekeurd, maar toch blijken zowel België als verschillende Europese landen geen andere criteria te hanteren dan voor volwassenen. Het uitblijven van een wettelijk kader wordt bovendien niet opgevangen door een coherente, verplichte, gespecialiseerde opleiding binnen de politiediensten over de omgang met minderjarigen. Er is dus op beide fronten werk aan de winkel om het gebruik van dit ingrijpend en stigmatiserend dwangmiddel bij minderjarigen tot een minimum te beperken. De spoedige aanneming en inwerkingtreding van het Belgische wetsvoorstel om handboeien bij minderjarigen principieel te verbieden zou daarbij een stap in de goede richting zijn.

Tijd voor Mensenrechten biedt een platform aan mensenrechtenexperten, en gaat de kwaliteit van bijdragen na voor die op het platform verschijnen. Analyses en standpunten blijven niettemin de verantwoordelijkheid van de auteur.


Jantien Leenknecht

Jantien Leenknecht is FWO-aspirant bij het Instituut voor Sociaal Recht en het Leuvens Instituut voor Criminologie. Ze doet onderzoek over de diversiteit van jeugddelinquentiesystemen en hun verhouding met het EU-strafrecht.

0 reacties

Een reactie achterlaten

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.