Op 4 oktober 2022 velde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens het langverwachte arrest Mortier t. België. Daarin sprak het zich uit over een in België uitgevoerde én wettig bevonden euthanasie. Hoewel uit het arrest blijkt dat de Euthanasiewet als zodanig geen aanleiding geeft tot een schending van artikel 2 EVRM, komt België er toch niet ongeschonden uit. Volgens het Hof voldoet het controlesysteem immers niet aan de vereisten van artikel 2 EVRM, omdat het onvoldoende waarborgen bevat om de onafhankelijkheid van de Federale Controle- en Evaluatiecommissie Euthanasie te verzekeren.

Korte feitenschets

Op 19 april 2012 kreeg de moeder van Tom Mortier, zonder zijn medeweten, euthanasie wegens ondraaglijk psychisch lijden. Toen Mortier een dag later op de hoogte werd gebracht van het overlijden van zijn moeder, was hij misnoegd omdat hij niet de kans had gekregen om afscheid van haar te nemen. Hoewel de betrokken artsen haar meermaals hadden aangemoedigd om contact op te nemen met haar kinderen, bleef ze herhalen dat ze dat niet zag zitten. Ze heeft hen in januari 2012 uiteindelijk wel een e-mail gestuurd om hen te informeren over haar euthanasiewens, maar Mortier heeft daar zelf nooit op gereageerd.

In juni 2012 heeft de Federale Controle- en Evaluatiecommissie Euthanasie (FCEE) het registratiedocument nagekeken. Ze kwam daarbij tot de conclusie dat de euthanasie in kwestie werd uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden en de procedure voorzien in de Euthanasiewet. Mortier heeft vervolgens tweemaal aan de FCEE gevraagd om hem een kopie te bezorgen van het registratiedocument, maar dit werd hem geweigerd. In februari 2014 heeft Mortier bij de Orde der artsen een klacht ingediend tegen de behandelende arts, maar hij werd nooit geïnformeerd over het resultaat van die klacht. In april 2014 diende hij klacht in tegen onbekenden voor de euthanasie op zijn moeder. In mei 2017 werd die klacht geseponeerd wegens onvoldoende bewijs, maar in mei 2019 heropende het gerecht het strafrechtelijk onderzoek naar de omstandigheden van de euthanasie. Het onderzoek werd uiteindelijk afgesloten in december 2020, omdat het Openbaar Ministerie van oordeel was dat de euthanasie aan alle materiële en procedurele voorwaarden had voldaan.

EHRM-rechtspraak rond het levenseinde

Hoewel het de eerste keer was dat het Hof zich moest uitspreken over de verenigbaarheid van een wettelijk toegelaten euthanasie met artikel 2 EVRM, past het arrest Mortier wel in het rijtje van de arresten Pretty (2002), Haas (2011), Koch (2012), Gross (2013) en Lambert (2015 en 2019), die ook allemaal verband houden met het levenseinde. Na vier arresten over hulp bij zelfdoding en één arrest over het stopzetten van de behandeling van een patiënt in een vegetatieve toestand, wordt de EHRM-rechtspraak rond het levenseinde nu dus aangevuld met een arrest over euthanasie.

Uit die eerdere vijf arresten kon eigenlijk al vrij goed worden afgeleid hoe het Hof een eventuele toekomstige zaak over euthanasie zou beoordelen. Het Hof laat de lidstaten namelijk vrij om te kiezen of ze medisch geassisteerd sterven wel of niet willen toelaten, maar wanneer een lidstaat een bepaalde vorm van medisch geassisteerd sterven legaliseert, moet dat gebeuren op een wijze die de bescherming van het recht op leven, gegarandeerd door artikel 2 EVRM, waarborgt. Meer bepaald moet er sprake zijn van een zorgvuldig opgesteld, duidelijk wetgevend kader dat voldoende waarborgen bevat om het risico op misbruik te minimaliseren. Zo moet de lidstaat onder andere verhoogde beschermende maatregelen in het leven roepen voor kwetsbare personen en in een procedure voorzien die kan garanderen dat een beslissing om een einde te maken aan het leven, overeenstemt met de vrije wil van het betrokken individu. De manier waarop ze deze vereisten in de praktijk willen omzetten, valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid die ze van het Hof krijgen.

België maakt een goede, maar geen perfecte beurt

In het arrest Mortier komen – logischerwijze – dezelfde klemtonen naar voren: het Hof benadrukt dat het recht op leven in artikel 2 EVRM zich an sich niet verzet tegen de voorwaardelijke decriminalisering van euthanasie, maar dat het wel vereist dat die decriminalisering hand in hand gaat met adequate en voldoende waarborgen om misbruik te voorkomen. In het licht van de twistpunten in deze zaak achtte het Hof het noodzakelijk om drie aspecten in de toetsing te betrekken: de wettelijke voorschriften, de naleving van die voorschriften en de controle achteraf.

Om te beginnen, oordeelde het Hof dat de materiële en procedurele voorwaarden waarin de Belgische Euthanasiewet voorziet, een wetgevend kader vormen dat voldoet aan de vereisten van artikel 2 EVRM. De Euthanasiewet garandeert volgens het Hof met name dat de levenseindebeslissing van een individu op een vrije en weloverwogen manier tot stand is gekomen. Het Hof hecht daarbij enorm veel belang aan de aanwezigheid van aanvullende waarborgen voor gevallen van psychisch lijden, waarbij wordt verwacht dat de dood niet op korte termijn zal intreden, en aan de vereiste van onafhankelijkheid van de geraadpleegde artsen, zowel ten aanzien van de patiënt als ten aanzien van de behandelende arts (paragraaf 153).

Aangezien de euthanasie in dit specifieke geval werd uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke voorschriften, was het Hof van mening dat er ook op dit punt geen sprake was van een schending van artikel 2 EVRM (paragraaf 165). Het feit dat de geraadpleegde artsen, net zoals de behandelende arts, lid waren van LEIF (LevensEinde InformatieForum; een open initiatief van mensen en verenigingen die streven naar een waardig levenseinde voor iedereen), volstond volgens het Hof – terecht – niet om een gebrek aan onafhankelijkheid aan te tonen. Het Hof volgde Mortier evenmin in zijn betoog dat zijn recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven was geschonden, omdat hij niet betrokken was geweest bij de euthanasieprocedure van zijn moeder. Het Hof oordeelde dat de betrokken artsen Mortier terecht niet hadden ingelicht over de op handen zijnde euthanasie van zijn moeder, die meermaals had aangegeven dat ze geen contact meer wou met haar kinderen. Het recht van de moeder op eerbiediging van haar autonomie mocht met andere woorden primeren op de wens van Mortier om zijn moeder in de laatste momenten van haar leven te vergezellen. De eerbiediging van het door de wet ingestelde beroepsgeheim is volgens het Hof namelijk van essentieel belang om het privéleven van patiënten te beschermen en om hun vertrouwen in de medische professie te bestendigen. Daar de artsen de moeder herhaaldelijk hadden voorgesteld het contact met haar kinderen te hervatten, waartegen zij zich telkens had verzet, stelde het Hof vast dat de artsen al het redelijk mogelijke hadden gedaan en dat artikel 8 EVRM niet was geschonden (paragraaf 207).

Tot slot merkte het Hof op dat er in België enkel een a posteriori controle gebeurt van elke uitgevoerde euthanasie. Hoewel een dergelijk controlesysteem volgens het Hof aan de vereisten van artikel 2 EVRM zou kunnen voldoen, kwam het in deze zaak toch tot de conclusie dat dit verdragsartikel geschonden was. De reden hiervoor was dat de FCEE, waarin onder andere de behandelende arts zetelde, zich bij de controle van de euthanasie van Mortiers moeder uitsluitend had gebaseerd op het anonieme deel van het registratiedocument en dat niets erop wees dat de behandelende arts zich uit de deliberatie zou hebben teruggetrokken. Dit volstond voor het Hof om te concluderen dat het Belgische controlemechanisme na euthanasie onvoldoende waarborgen bevat om de onafhankelijkheid van de FCEE te verzekeren. Een a posteriori beoordeling op basis van het anonieme luik van het registratiedocument belet immers niet dat de behandelende arts meestemt over de wettigheid van zijn eigen handelen (paragraaf 177).

Implicaties van het arrest

Het arrest Mortier bevat een tweeledige boodschap: enerzijds bevestigt het dat de wettelijke voorwaarden die vervuld moeten zijn alvorens een arts tot euthanasie mag overgaan, mensenrechtenconform zijn, anderzijds roept het de Belgische wetgever op om het controlesysteem te herzien op een manier die de onafhankelijkheid van de FCEE in ieder afzonderlijk geval kan waarborgen.

De FCEE heeft intussen een persbericht uitgestuurd waarin ze haar standpunt over de implicaties van het arrest uiteenzet. Volgens de FCEE kan enkel de opheffing van de anonimiteit van het registratiedocument de door het Hof vastgestelde tekortkoming verhelpen. Mijns inziens is dat een correcte conclusie. Het Hof heeft namelijk te kennen gegeven dat de onafhankelijkheid van de FCEE onvoldoende wordt gewaarborgd wanneer het aan de exclusieve discretie van het betrokken lid wordt overgelaten om zich afzijdig te houden wanneer het vaststelt dat het betrokken was bij de euthanasie die het voorwerp uitmaakt van de controle.

De Belgische wetgever zou in dit verband inspiratie kunnen halen uit het controlemechanisme in Nederland, waar de rapportering niet anoniem gebeurt; de identiteit van de betrokken artsen is daar bij elke controle gekend. Een andere mogelijkheid zou zijn om een a priori controle in te voeren, zoals onder meer de Spaanse wetgever heeft gedaan, maar vermits de Belgische wetgever indertijd heeft gekozen voor een controle achteraf, is het wellicht weinig realistisch om het controlemechanisme na twintig jaar opeens volledig om te gooien. Vandaar dat de opheffing van de anonimiteit inderdaad de enige reële optie lijkt te zijn om de controle door de FCEE in overeenstemming te brengen met de vereisten van artikel 2 EVRM.

Indien men effectief zou afstappen van de anonieme controle, zouden er echter andere vraagstukken de kop opsteken. Er zijn namelijk enkele onmiskenbare voordelen verbonden aan de principiële anonimiteit van de aangifte: een dergelijke procedure waarborgt de vertrouwelijkheid van de gegevens van de overleden patiënt en zou tevens een positieve invloed hebben op de meldingsbereidheid van artsen. De voornaamste vraag is dan ook of die meldingsbereidheid bij het opheffen van de anonimiteit even groot zou blijven. In Nederland lijkt dat geen bezorgdheid te zijn; artsen lijken in het algemeen voldoende vertrouwen te hebben in het systeem om euthanasiegevallen te melden. Wat daar wellicht toe bijdraagt, is de systematische feedback van de regionale toetsingscommissies aan de artsen. Deze rechtstreekse dialoog zorgt voor meer transparantie en komt de zorgvuldigheid van de euthanasiepraktijk ten goede. Aangezien we in België niet kunnen terugvallen op een jarenlange traditie van niet-anonieme controle, bestaat het risico dat het opheffen van de anonimiteit, zeker in het begin, zou leiden tot een grotere terughoudendheid bij artsen om euthanasiegevallen te melden.

De aanpassing van het controlesysteem is evenwel niet de enige verandering die noodzakelijk is. Als antwoord op een prejudiciële vraag kwam het Grondwettelijk Hof in een arrest van 20 oktober 2022 namelijk tot het besluit dat de niet-gediversifieerde sanctieregeling bij de niet-naleving van de wettelijke voorwaarden voor euthanasie een schending uitmaakt van de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie gewaarborgd in artikels 10 en 11 van de Grondwet (overweging B.16). De reden hiervoor is dat de toepassing van één en dezelfde strafbaarstelling (i.e. gifmoord; levenslange opsluiting) op elke miskenning van de voorwaarden en procedures van de Euthanasiewet, ongeacht de zwaarwichtigheid daarvan, onevenredige gevolgen heeft voor de betrokken artsen (overweging B.15.3).

Het is nu dus aan de wetgever om een sanctieregeling uit te werken die ertoe strekt een einde te maken aan de vastgestelde ongrondwettigheid. Een meer gediversifieerde sanctieregeling, met een lichtere sanctie voor als minder zwaarwichtig ingeschatte, procedurele voorwaarden, zou ook de drempel voor het melden van euthanasiegevallen kunnen verlagen, wat in het licht van de eventuele opheffing van de anonimiteit geen onbelangrijk neveneffect zou zijn.

Sien Loos is doctoraatsbursaal aan de UAntwerpen (onderzoeksgroep Persoon en Vermogen) en aan de KU Leuven (LIGB). Haar onderzoek focust op euthanasie en hulp bij zelfdoding in grensoverschrijdend perspectief.


Sien Loos

Sien Loos is doctoraatsbursaal aan de UAntwerpen (onderzoeksgroep Persoon en Vermogen) en aan de KU Leuven (LIGB). Haar onderzoek focust op euthanasie en hulp bij zelfdoding in grensoverschrijdend perspectief.

0 reacties

Een reactie achterlaten

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *