Artikel 8 EVRM waarborgt het recht van gedetineerden om afscheid te nemen van ernstig zieke of overleden familieleden. Wanneer zij hiervoor een uitgaansvergunning aanvragen, dan dient deze aanvraag grondig en individueel te worden onderzocht. Daarnaast zal ook steeds moeten worden nagegaan of er alternatieven denkbaar zijn die gedetineerden de kans bieden om afscheid te nemen van hun familieleden.

De heer D. werd in 2017 veroordeeld tot levenslange opsluiting voor de moord op zijn toenmalige vrouw, mevrouw V.B. In het voorjaar van 2021 ontving de heer D. een brief waaruit bleek dat zijn moeder enkele maanden voordien was overleden. Bij wijze van afscheid en omdat hij de begrafenis niet had kunnen bijwonen, wilde hij graag het graf van zijn moeder bezoeken. Om het graf te bezoeken, vroeg hij een uitgaansvergunning aan. Dat verzoek werd op 16 september 2021 afgewezen, voornamelijk omdat werd gevreesd dat de heer D. zou vluchten tijdens de uren dat hij de gevangenis verliet.   

De heer D. meende dat de weigeringsbeslissing van 16 september 2021 onder meer strijdig was met artikel 8 EVRM en dagvaardde de Belgische Staat in kort geding. Op 9 maart 2022 veroordeelde de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel de Belgische Staat tot het nemen van een nieuwe en afdoende gemotiveerde beslissing over de aanvraag van de heer D. tot het krijgen van een uitgaansvergunning.

Om de beslissing van de Brusselse kortgedingrechter goed te kunnen begrijpen, is het van belang enkele begrippen toe te lichten alvorens de uitspraak zelf te bespreken. In wat volgt, worden drie begrippen besproken: detentieschade, de uitgaansvergunning en het recht op afscheid als onderdeel van artikel 8 EVRM. Ook wordt toegelicht hoe deze elementen zich tot elkaar verhouden en wat het gevolg daarvan is voor beslissingen in het kader van de strafuitvoering van gedetineerden. Deze bijdrage beperkt zich tot het belang van artikel 8 EVRM in de uitspraak van 9 maart 2022.

Detentieschade en uitgaansvergunningen

Volgens het Belgisch detentierecht blijft een gedetineerde een volwaardige burger. De basisbeginselen daarover vinden we terug in de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden. Zo behoudt iedere gedetineerde dezelfde politieke, burgerlijke, sociale, economische of culturele rechten en vrijheden als iemand die niet is gedetineerd. Dit moet enigszins worden genuanceerd, nu detentie altijd met bepaalde beperkingen van grondrechten gepaard zal gaan. Artikel 6, §1 Basiswet Gevangeniswezen bepaalt evenwel dat deze beperkingen niet verder mogen gaan dan degene die uit de strafrechtelijke veroordeling of uit de vrijheidsbenemende maatregel voortvloeien, onlosmakelijk zijn verbonden met de vrijheidsbeneming of door of krachtens de wet worden bepaald (denk bijvoorbeeld aan een beperking van artikel 5 EVRM).

Worden rechten en vrijheden van gedetineerden verder beperkt dan wat hun detentie vereist, dan kan een gedetineerde detentieschade oplopen. Het gaat daarbij om de fysieke en psychische schade die een gedetineerde lijdt omwille van zijn vrijheidsbeneming. Volgens artikel 6, §2 Basiswet Gevangeniswezen moet vermijdbare detentieschade zoveel als mogelijk worden voorkomen.

Vervolgens verleent een uitgaansvergunning aan een gedetineerde de mogelijkheid om de gevangenis voor een periode van maximum 16 uur te verlaten. Een uitgaansvergunning kan worden gevraagd om sociale, morele, juridische, familiale, opleidings- of professionele redenen, een medisch onderzoek of een medische behandeling of om de sociale re-integratie van de gedetineerde voor te bereiden.

Een uitgaansvergunning is bijgevolg een modaliteit die detentieschade kan vermijden. Het laat een gedetineerde toe om bepaalde plichten na te komen of van bepaalde rechten te genieten, waarvoor zijn aanwezigheid buiten de gevangenis noodzakelijk is. Een uitgaansvergunning is evenwel geen automatisme. De Directie Detentiebeheer (DDB), onderdeel van de FOD Justitie, beslist of de uitgaansvergunning al dan niet wordt toegekend. Zij gaan na of er sprake is van zogenaamde ‘tegenaanwijzingen’, die niet kunnen worden verholpen door bijzondere voorwaarden op te leggen. Er kan sprake zijn van tegenaanwijzingen wanneer men vreest dat de gedetineerde zou vluchten, slachtoffers zou verontrusten of ernstige strafrechtelijke feiten zou plegen tijdens de uren dat hij de gevangenis mag verlaten.

Gedetineerden hebben (ook) het recht om afscheid te nemen

Artikel 8.1 EVRM beschermt het recht op eerbieding van het privé-, gezins- en familieleven. Het is geen absoluut recht en kan bijgevolg beperkt worden volgens de voorwaarden in artikel 8.2 EVRM. Daarnaast is artikel 8 EVRM een erg breed recht. Het vormt een verzameling van verschillende sub-rechten die betrekking hebben op het privé-, gezins- en familieleven. Eén van die sub-rechten is het recht om afscheid te nemen van een familielid.

Specifiek in het kader van detentie, benadrukte het EHRM al verschillende malen dat (ook) gedetineerden het recht hebben om afscheid te nemen van een naast familielid.

In Razvozzhayev t. Rusland (§267) bevestigde het EHRM dat het weigeren van een verlof aan een gedetineerde om de begrafenis van een familielid bij te wonen een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van het gezinsleven. Het EHRM benadrukte dat artikel 8 EVRM geen absoluut recht is en dat gedetineerden, omwille van hun detentie, per definitie aan verschillende beperkingen van grondrechten worden onderworpen. Niettemin moet iedere beperking van een grondrecht noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Het EHRM stelde verder dat het recht om een begrafenis bij te wonen van een familielid slechts kan worden ontzegd wanneer daarvoor dwingende redenen bestaan en er geen alternatieve oplossing kan worden gevonden.

Dergelijke alternatieve oplossingen kunnen op twee manieren worden onderzocht. Ten eerste zijn er maatregelen denkbaar die bepaalde tegenaanwijzingen beperken of wegnemen. Zo stelde het EHRM in Ploski t. Polen (§36) dat het vluchtgevaar van een gedetineerde had kunnen worden weggenomen door een begeleid verlof. Het hekelde dat de autoriteiten een dergelijke oplossing niet eens hadden overwogen. Ten tweede, en in geval het bijwonen van een begrafenis onmogelijk zou zijn, dient een andere mogelijkheid te worden overwogen om afscheid te nemen van een familielid. In Lind t. Rusland (§98) sprak het EHRM van een alternatieve, zinvolle gelegenheid om afscheid te nemen.

Dat het nemen van afscheid van een familielid niet zonder meer kan worden ontzegd aan een gedetineerde, heeft uiteraard ook procedurele gevolgen. Wanneer de autoriteiten het verzoek van een gedetineerde om afscheid te nemen van een familielid weigeren, dan dienen zij die weigering grondig te motiveren. In Vetsev t. Bulgarije (§25) benadrukte het EHRM dat een weigeringsbeslissing moet zijn gebaseerd op een individueel en grondig onderzoek en een afweging van de in het geding zijnde belangen, namelijk enerzijds het recht van de gedetineerde op eerbiediging van zijn privé- en gezinsleven en anderzijds de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten.  

De Belgische kortgedingrechter zet de motiveringsplicht op scherp

In de zaak die aanleiding gaf tot de uitspraak van 9 maart 2022, meende ook de heer D. dat zijn weigeringsbeslissing onvoldoende was gemotiveerd en voorbijging aan zijn recht om afscheid te nemen van zijn moeder.

De kortgedingrechter gaf de heer D. gelijk en wees op het recht op afscheid als onderdeel van artikel 8 EVRM. De kortgedingrechter stelde daarbij twee principes voorop: ten eerste hebben gedetineerden het (voorwaardelijk) recht om afscheid te nemen van een familielid en ten tweede dienen de autoriteiten na te gaan of bepaalde voorwaarden kunnen worden opgelegd zodanig dat een uitgaansvergunning kan worden verleend. Nog volgens de kortgedingrechter dienen de autoriteiten na te gaan of minder verregaande beperkingen dan een volledige weigering mogelijk zijn en dienen zij hun beslissing ook in die zin te motiveren.

In de concrete zaak struikelde de kortgedingrechter vooral over de tegenaanwijzingen die weerhouden werden door de administratie. Volgens de kortgedingrechter waren die immers achterhaald.

Hoewel de Brusselse kortgedingrechter in het theoretisch luik van zijn beschikking expliciet hamerde op de toepassing van artikel 8 EVRM, spitste hij zich bij de toepassing van de rechtsregels vooral toe op de aard van de weerhouden tegenaanwijzingen. Enerzijds oordeelde de kortgedingrechter daarmee in lijn met de Europese rechtspraak. Ook hij oordeelde, zij het impliciet, dat een aanvraag tot het bekomen van een uitgaansvergunning om afscheid te nemen van een familielid moet worden onderworpen aan een grondige, actuele en individuele analyse en de administratie ook in die zin dient te motiveren. Anderzijds had de kortgedingrechter (nog) wat scherper kunnen zijn voor de administratie. In de weigeringsbeslissing van 16 september 2021 werd immers amper onderzocht of er alternatieven denkbaar waren die de heer D. in de mogelijkheid konden stellen om afscheid te nemen van zijn moeder.

Uit de Europese rechtspraak volgt vooral dat er meer mag worden verwacht van de administratie die zich buigt over soortgelijke aanvragen. Het is niet voldoende om enkel na te gaan of er tegenaanwijzingen zijn. Zelfs als daarvan sprake is, moet verder worden nagegaan of deze tegenaanwijzingen de beperking – of zelfs ontzegging – van een grondrecht rechtvaardigen. Bovendien zal daarbij uitgebreid aandacht moeten worden besteed aan de analyse van mogelijke alternatieven. Pas als al deze elementen worden onderzocht en aan bod komen in de beslissing over de toekenning van een uitgaansvergunning (of een andere strafuitvoeringsmodaliteit), is er sprake van een motivering conform de rechtspraak van het EHRM.   

Tot slot mag het belang van een strafuitvoeringsmodaliteit niet worden onderschat. We mogen niet vergeten dat een blijvend contact met de buitenwereld niet alleen belangrijk is voor gedetineerden, maar ook voor het breder algemeen belang. De meeste gedetineerden vloeien immers terug naar de maatschappij. Als dat moment aanbreekt, is het van belang dat zij nog enige voeling hebben met de wereld waarnaar zij terugkeren.

Uiteraard zijn er situaties denkbaar waarbij de toekenning van een stafuitvoeringsmodaliteit niet is aangewezen. Maar precies dan is het cruciaal dat een individueel en grondig onderzoek aan de basis ligt van een negatieve beslissing en dat de gedetineerde de (precieze) redenen van weigering kan terugvinden in die beslissing. Ook daar heeft een gedetineerde immers recht op.

Tijd voor Mensenrechten biedt een platform aan mensenrechtenexperten, en gaat de kwaliteit van bijdragen na voor die op het platform verschijnen. Analyses en standpunten blijven niettemin de verantwoordelijkheid van de auteur.


Avatar foto

Ana Decoster

Ana Decoster is advocaat bij advocatenkantoor Eubelius. Ana specialiseert zich in geschillenbeslechting en procesvoering, het gerechtelijk recht en de rechten van de mens.

0 reacties

Een reactie achterlaten

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *